Deel 4: Naar een trans-systemische en dialogische contactgeschiedenis van Afrikaanse en Nederlandstalige literatuur

  • 0

In de toelichting bij het onderzoeksproject, waarvoor een verblijf van vijf maanden in de stimulerende werkomgeving van STIAS (“Creative Space for the Mind”) bijzonder productief is, ligt de klemtoon op wat ik ervaar als een leemte in de studie van de Afrikaanse en Nederlandse letterkunde vanuit comparatief (cross-cultureel) en diachroon perspectief. Het research fellowship wordt aangewend om te reflecteren over “translingual poetics” en “multilingual poetics”, over “meertaligheid en transculturaliteit”, over “interconnectedness van culturen” (tegenover een essentialistische of homogene cultuuropvatting), over cultuur als “heterotopias” (meervoudige ruimte).

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4

Realisaties

In de loop van het denkproces zijn veeleer verkennend specifieke casestudies uitgewerkt (https://voertaal.nu/uitgever-koos-human-acquisiteur-hendrik-prins-en-de-schoolboekenmarkt-voor-nederlandstalige-literatuur-in-zuid-afrika-1969-1987/) en deelde ik een paar bespiegelingen over een veeltalige en multiculturele canon van Zuid-Afrika (zie het opiniestuk met Alwyn Roux in Netwerk24/Die Burger dd. 19 februari 2024: https://www.netwerk24.com/netwerk24/kunste/boeke/boekevat-mens-en-taal-verryk-deur-meer-taalkontak-20240219 en op Voertaal: https://voertaal.nu/om-te-behoort-door-veelvuldiger-taalcontact/. De afgelopen maanden is samen met collega’s het online seminarie “Talking Cultural Diversities” georganiseerd: https://voertaal.nu/press-release-call-for-papers-talking-cultural-diversities-translingual-poetics-and-multilingual-poetries/. De keynote-lezing voor het digitale discussieplatform Samespraak op 7 maart 2024 besprak “trans- & multilingual poetics” (https://voertaal.nu/talking-cultural-diversities-considerations-of-cultural-exchange-and-multilingual-literature/).

STIAS Discussieforum

Met academische collega’s en andere actoren, zoals schrijvers, vertalers, uitgevers en boekenredacteurs, denk ik na over een geschikt methodiek voor een literair-historisch onderzoeksproject dat complementair is voor afzonderlijke literatuurgeschiedenissen die op een taalgebied zijn gericht, respectievelijk Afrikaans en Nederlands (in casu de Lage Landen).

Bekend zijn de geschiedenissen waarin literaire systemen op basis van taal of natiestaat worden geconstrueerd, met hoogstens occasioneel een verwijzing naar een ander en al dan niet linguïstisch verwant literair systeem. Dat is opmerkelijk, vooral gezien de internationale openbare ruimte waarin literatuur en andere cultuurproducten zich manifesteren. Ik verwijs niet alleen naar Kannemeyer, Koch, Van Coller respectievelijk Bel, Brems cum suis. Ook het tweedelige panorama (overzicht en profielen) Verbintenis en venster. Die Nederlandse letterkunde van aanvang tot hede. ’n Nederlandse literatuurgeskiedenis in Afrikaans (red. H.P. van Coller, 2019), met een veertigtal lemma’s over Nederlandstalige auteurs, presenteert zich nadrukkelijk als een Nederlandse literatuurgeschiedenis in Afrikaanse vertaling.

De krijtlijnen voor het onderzoeksproject zijn uitgewerkt in een STIAS seminarie dd. 22 februari 2024. De uitgewerkte tekst verschijnt in het periodiek Afrika Focus (najaar 2024). In samenspraak met Zuid-Afrikaanse collega’s Afrikaanse en Nederlandse letterkunde reflecteer ik over methodologische en literatuur-theoretische uitgangspunten. De doelstelling is de ontginning van een grondplan voor een panoramische gecombineerde letterkundige studie en de verkenning van een reeks met particuliere casestudies.

Het gesprek over methodische en theoretische kwesties is van belang, niet uitsluitend om een draagvlak te creëren voor een dergelijk onderzoek. De periodeafbakening, met als complexe vraag: vanaf wanneer kan de Afrikaanse literatuur worden beschouwd als een quasi-autonoom fungerend literair systeem? (zie onder andere H.P. Van Coller in “The beginnings of Afrikaans literature”, The Cambridge History of South African Literature, red. D. Attwell en D. Attridge, 2012 en ook bespiegelingen hierover in de inleiding van J. Kochs literatuurgeschiedenis), daarnaast de opzet en de krijtlijnen van een dergelijke cross-culturele literaire historiografie zijn bespreekpunten.

Functionele opzet

Voor de opzet van een gecombineerde (niet: geïntegreerde) literaire geschiedschrijving gebruik ik zoals naar voren geschoven en toegepast in de negendelige reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (2006-2017) het functionalistische model. In mijn lezing voor de de onderzoeksgemeenschap van STIAS heb ik mij noodgedwongen moeten beperken tot een paar opmerkingen. Het komt hierop neer.

Recente ontwikkelingen op het gebied van de internationale literatuurgeschiedschrijving laten zien dat stereotyperingen uitgaande van een klassieke canon, daarenboven uitsluitend op auteurs, teksten en genres gericht, ter discussie staan. In de literatuurwetenschap worden andere vereisten geformuleerd voor literatuur-historisch onderzoek dan vóór de jaren negentig van de vorige eeuw. Er is al langer een verschuiving merkbaar in het conceptualiseren van een literatuuroverzicht vanuit historisch perspectief. De centrale positie van de auteur en de tekst is verschoven naar aandacht voor literaire cultuur en de wijze waarop literatuur functioneert in een maatschappelijke en culturele omgeving. In de historische letterkunde hanteren onderzoekers al langer een dergelijk uitgangspunt; voor de moderne literatuur zijn lange tijd andere accenten gelegd in de beeldvorming. Wat vandaag wordt onderzocht – ook het uitgangspunt dat voor voorliggend onderzoeksproject wordt aangekaart – zijn volgens de hoofdredacteurs van de GNL, Arie Jan Gelderblom en Anne Marie Musschoot, “zowel receptiegerichte als functiegerichte, systeemgerichte of interactiegerichte” narratieve structuren (zie Ongeziene blikken. Nabeschouwingen bij de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 2017, p. 18). De voorbije decennia komen diversiteit en inclusiviteit ruimer aan bod in het letterkundig onderzoek. De vraag is natuurlijk wat nu precies met een term als inclusiviteit wordt beoogd: de meningen hieromtrent kunnen nogal verschillend zijn (zie deel 3 van deze beschouwing).

De nadruk in de literaire geschiedschrijving ligt op beeldconstructie en, zoals de Nederlandse historicus en filosoof Frank Ankersmit heeft gesteld, de “narrativisering” van literatuur- en cultuurgeschiedenis. Het verleden is nu eenmaal niet te achterhalen en wordt per definitie vanuit een hedendaagse blik verteld. Gelderblom en Musschoot verwijzen naar Ankersmit en diens opvattingen over de “narrativisering” (van de blik).  Aandacht gaat uit naar literaire cultuur en dus een breed literatuurbegrip. Het concept van en/of de afbakening van literatuur wijzigt in de tijd. Tot het tekstencorps behoren naast de “hoge cultuur” (roman, poëzie, essay) ook gebruiksteksten, manifesten, protestgedichten of bijvoorbeeld gelegenheidsteksten zoals reisverslagen en dagboeken. In de migratie van literatuur speelt de reiziger de rol van bemiddelaar. Die reiziger zal een hoofdrol toegeschreven krijgen in de te ontwerpen literatuurgeschiedenis.

In de methodologische benadering gaat het over het functioneren van literaire teksten, dus niet meer specifiek de auteur of de tekst. In het volgende fragment wordt het methodologisch uitgangspunt toegelicht door Gelderblom en Musschoot (Ongeziene blikken. Nabeschouwing bij de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 2017, p. 14-15).

[H]et verhaal van de literatuurgeschiedenis kan nooit definitief zijn, omdat onze representatie van het verleden samenhangt met tal van veranderende – ‘contingente’, zegt de Amerikaanse filosoof Richard Rorty – factoren. Geschiedenis als wetenschap is een open, zich ontwikkelend proces dat zijn betekenis ontleent aan de zich wijzigende, evoluerende consensus van de wetenschappers van vandaag. Het is de blik van de historicus die de betekenis bepaalt (de ‘ontvanger’) en het is zijn of haar opdracht om de reconstructie van het verleden zodanig uit te voeren dat het ‘verhaal’ aannemelijk of geloofwaardig is. Dat laatste, de geloofwaardigheid van de representatie, is de toetssteen voor de hedendaagse historiografie. […] [D]e geschiedschrijver, vanuit zijn [of haar] eigen hedendaagse bewustzijn en kennis, [reconstrueert de context] waarin het literaire werk is ontstaan én functioneert. We hebben het dan over de functionalistische of functionele benadering, die een belangrijke methodologische basis [is]. Met deze ‘cultural turn’ (het functioneren van literatuur in een culturele context) evolueert de literatuurgeschiedenis naar een geschiedenis van de literaire cultuur. Dat is geen onveranderlijk begrip.

Kleinere literaturen

Een transversaal opgevat panorama van literaire verbintenissen, met de blik op relaties tussen taal- en cultuurgebieden en diverse literaire polysystemen, kan niet volstaan met een descriptieve benadering. De dynamische processen van productie, distributie, consumptie en receptie in de respectieve literair-institutionele contexten bepalen de beeldvorming wederzijds van Afrikaanse en Nederlandstalige literatuur. Kleinere literaturen, hier verwijs ik naar de oratie van Louise Viljoen bij de aanvaarding van de Leerstoel Zuid-Afrika aan de Universiteit Gent in 2019, vertonen tal van institutionele en poëticaal-esthetische correlaties. Ten opzichte van de literaturen in “grote talen” laten kleinere literaturen een ander dynamiek zien. In mondiaal opzicht zijn beslist Afrikaans maar ook Nederlands relatief kleine talen.

Er bestaan natuurlijk aanzienlijke verschillen tussen literaire systemen in andere talen, gezien de uiteenlopende (historische) maatschappelijke en culturele contexten waarin de literatuur van het Afrikaans en van het Nederlands functioneren, de uiteenlopende literaire tradities (bv. de nationalistische en emanciperende literatuur van het Afrikaans tot de jaren zestig van de vorige eeuw tegenover tendensen in dezelfde periode die op vormvernieuwing zijn gericht in Nederland en Vlaanderen). Een literatuurgeschiedenis over (minstens) een eeuw van kruisbestuiving, contacten en verbanden, moet hoe dan ook kritische aandacht krijgen. In het besef dus dat literair-culturele omgevingen in de Lage Landen en in Zuid-Afrika volstrekt anders zijn. Voorbeelden van nog te ontginnen sleutelmomenten in die contactgeschiedenis heb ik hier opgesomd: https://versindaba.co.za/2024/01/15/yves-tsjoen-cahier-van-een-lezer-14/.

Ook dit is een uitgangspunt: “[Literaire cultuur] is geen onveranderlijk begrip. De verhalen die we daarover vertellen zijn noodzakelijkerwijze tijdelijk en fluïde; ze ontstaan in dialoog met betrokkenen en vakgenoten, bij voorkeur zelfs als meervoudige uitwisselingen in teamverband, ze zijn aan ontwikkeling onderhevig en zullen ook herhaaldelijk bijgestuurd moeten worden. Deze zichzelf corrigerende en nooit eindigende dialoog onder wetenschappers kan door de literatuurgeschiedschrijving probleemloos gehanteerd worden en laat ook alle ruimte voor komende generaties” (Gelderblom & Musschoot, Ongeziene blikken, p.15-16).

Een van de werkmodellen die ten grondslag ligt aan de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, een project gefinancierd door de Taalunie, en bijvoorbeeld ook aan de meerstemmige studie Nederlandse literatuur, een geschiedenis (Riet Schenkeveld-Van der Dussen (red.), 1993) is de opstellenbundel A New History of French Literature (Denis Hollier (red.), 1989). In Ongeziene blikken (2017) wordt er nadrukkelijk aan gerefereerd: het is een concept van literatuurgeschiedschrijving, in fragmenten en vanuit interdisciplinair oogpunt ondernomen. Holliers boek bevat “een serie van 164 essays van de hand van vele individuele specialisten [met] de ‘brede’ blik van de contextualisering die over alle mogelijke grenzen heen laat kijken [en] een sterk comparatistisch gefundeerde, internationale invalshoek […] Amerikaanse literatuurhistorici en vooral veel theoretici – zoals Stephen Greenblatt en Linda Hutcheon – [staan afwijzend] tegenover een verhaal dat beperkt is tot één nationale letterkunde” (Ongeziene blikken, p. 16).

Uit dergelijke beschouwingen mag blijken dat grondig moet worden gereflecteerd over methodische stappen en theoretische uitgangspunten. Het concipiëren van een literatuurgeschiedenis is een uitdagende, veelal gecontesteerde en complexe aangelegenheid, zeker wanneer het (meervoudig) verhaal het resultaat moet zijn van groepswerk. Daarnaast moeten we ons realiseren dat literatuurwetenschappelijke paradigma’s (wetenschapstradities) en opvattingen met betrekking tot literaire geschiedschrijving in diverse talen en academische omgevingen soms heel verschillend zijn, zoals aan universiteiten in Zuid-Afrika (departementen Afrikaans en Nederlands) en in de Lage Landen. Literaire historiografie in Zuid-Afrika, met betrekking tot het Afrikaans, had lange tijd een emanciperende functie, ook een nationalistische (Afrikaner) agenda. Misschien vergelijkbaar met de Nederlandstalige literatuurgeschiedschrijving van de negentiende eeuw, in het licht van de opbouw van een natiestaat en/of de strijd van de Vlaamse Beweging.

Het SAVN-congres in Windhoek (8-10 juli) kan op een aantal van deze verwijzingen en voorbeschouwingen een licht werpen: https://neerlandistiek.nl/2024/02/8-10-juli-2024-savn-congres-in-windhoek/. We zullen overeenstemming moeten bereiken teneinde het gezamenlijke schrijfproject weloverwogen aan te vatten. Het discussieplatform bij STIAS in Stellenbosch kan hiervoor aanzetten geven.

https://voertaal.nu/oproep-discussieforum-literatuur-historisch-project-afrikaans-nederlands/

In een vraaggesprek op Versindaba met webredacteur Marlies Taljard zijn naar aanleiding van het eind 2024 te verschijnen boek Twee overzijden. Kronieken en tweespraken (Academia Press, Gent) beschouwingen over het literatuur-historisch project gedeeld.

Bibliografie

Antonissen, 1955. Die Afrikaanse letterkunde van aanvang tot hede. Pretoria: HAUM.

Attwell & D. Attridge (eds.) 2012. The Cambridge History of South African Literature. Cambridge: Cambridge University Press.

Casanova 1999. La République mondiale des lettres. Paris: Éditions du Seuils.

M. Chapman 1996 [2003]. Southern African Literatures. Pietermaritzburg: University of Natal Press.

T.T. Cloete 1980. Die Afrikaanse literatuur sedert sestig. Cape Town: Nasou.

D. Damrosch 2003. What is World Literature? Princeton: Princeton University Press.

S. Dowling 2018. Translingual Poetics: Writing Personhood Under Settler Colonialism. Iowa City: University of Iowa Press.

R. Foster, Y. T’Sjoen & T. Vaessens (eds.) 2009. Over grenzen. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/Oor grense. ’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie. Leuven/Den Haag: Acco.

R. Foster & Y. T’Sjoen (eds.) 2012. Toenadering. Literair grensverkeer tussen Afrikaans en Nederlands/Literêre grensverkeer tussen Afrikaans en Nederlands. Leuven/Den Haag: Acco.

E. Francken & O. Praamstra 2023. Geen land voor dromen. Geschiedenis van de Zuid-Afrikaanse literatuur. Amsterdam: Amsterdam University Press.

A.J. Gelderblom & A.M. Musschoot 2017. Ongeziene blikken. Nabeschouwing bij de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Amsterdam: Bert Bakker.

J.C. Kannemeyer 1978/1983. Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur. Pretoria/Kaapstad/Johannesburg: Academica [2 volumes].

J. Koch 2015. A History of South African Literature: Afrikaans Literature. Part 1: From the 17th to the 19th Centuries. Pretoria: Van Schaik Publishers. [translated from Polish]

J. Koch 2022. A History of South African Literature: Afrikaans Literature. Part 2: The Period of Emancipation 1900-1930. Pretoria: Van Schaik Publishers. [translated from Polish]

F. Lionnet & S. Shih (eds.) 2005. Minor Transnationalism. Durham/London: Duke University Press

J. Ramazani 2009. A Transnational Poetics. Chicago: University of Chicago Press.

Y. T’Sjoen 2017. Rakelings. Ter gelegenheid van de oprichting van de Gentse leerstoel Zuid-Afrika: talen, literaturen, cultuur en maatschappij. Antwerp: W∞lf.

Y. T’Sjoen 2023a. Kwintet. Interculturele dialogen tussen Afrikaans en Nederlands. Antwerpen: W∞lf.

Y. T’Sjoen 2023b. Breyvier. Over taal, burgerschap en Breytenbach. Ghent: Skribis.

H.P. van Coller & B. Odendaal 2005a. Die verhouding tussen die Afrikaanse en Nederlandse literêre sisteme. Deel 1. In Stilet 17(3), pp. 1-17.

H.P. van Coller & B. Odendaal 2005b. Die verhouding tussen die Afrikaanse en Nederlandse literêre sisteme. Deel 2: ’n Chronologiese oorsig. In Stilet 17(3), pp. 18-46.

H.P. van Coller 2012. The beginnings of Afrikaans literature. In D. Attwell & D. Attridge, The Cambridge History of South African Literature. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 262-286.

H.P. van Coller (ed.) 1998/1999 [2015/2016]. Perspektief & Profiel; ’n Afrikaanse literatuurgeskiedenis. Pretoria: Van Schaik Publishers [3 volumes].

L. Viljoen 2014. Die rol van Nederland in die transnasionale beweging van enkele Afrikaanse skrywers. In: Internationale Neerlandistiek 52 (1), pp. 3-26.

Lees ook:

Deel 1: Naar een trans-systemische en dialogische contactgeschiedenis van Afrikaanse en Nederlandstalige literatuur

Deel 2: Naar een trans-systemische en dialogische contactgeschiedenis van Afrikaanse en Nederlandstalige literatuur

Deel 3: Naar een trans-systemische en dialogische contactgeschiedenis van Afrikaanse en Nederlandstalige literatuur

  • 0
Verified by MonsterInsights
Top